Op avontuur…

2019-08-26T10:37:05+02:0010 januari 2014 |

Vaak ontstaat de behoefte aan coaching bij medici wanneer ze al een stuk gevorderd zijn in hun loopbaan. Eigenlijk zonder uitzondering geldt dan dat deze loopbaan al tot successen heeft geleid. De gemiddelde specialist kan trots zijn op wat hij of zij kan. Waarom dan toch op een gegeven moment coaching? Waarom loopt iemand die zijn sporen verdiend heeft op enig moment toch tegen grenzen aan?

In mijn coachingsgesprekken wordt vaak duidelijk hoe het eerste deel van de loopbaan vooral vorm heeft gekregen vanuit wat Daniel Ofman de kernkwaliteiten noemt. Dat zijn eigenschappen, talenten die je ‘vanzelf’ hebt, met de paplepel ingegoten hebt gekregen, eigenschappen die letterlijk of figuurlijk in je DNA zitten. Vaak zijn dit de eigenschappen die de buitenwereld als talenten in jou herkent, ook al vind je ze van jezelf juist heel ‘gewoon’. Als anderen jou beschrijven hoor je deze eigenschappen terug: ‘jij bent altijd enthousiast, of zo sterk analytisch, of zo duidelijk, of invoelend, etc’ Het zijn de goede eigenschappen waarmee je groot geworden bent en bereikt hebt wat je bereikt hebt. Je studie en beroepskeuze sluiten hier vaak sterk bij aan. Iets wat je goed afgaat geeft vaak ook veel plezier. Je kernkwaliteiten bepalen je comfortzone.

Na verloop van tijd treden in je werk of in je privéleven situaties op die andere eigenschappen vergen dan ‘alleen’ je kernkwaliteiten. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer je een nieuwe uitdaging aangaat, zoals een management taak, of een nevenfunctie in je beroepsgroep. Management vraagt een totaal andere set eigenschappen, en een totaal andere mindset dan het dokter zijn. Dit wordt nogal eens onderschat, met grote twijfels als gevolg. Sterker nog: De vaardigheden waarmee je een goede dokter bent zijn deels zelfs tegenovergesteld aan de vaardigheden van een goede manager. Het is een hele kunst beide in één functie, in één week te combineren.

Ook zijn andere vaardigheden vereist wanneer de sociale complexiteit van de functie toeneemt, en je bijvoorbeeld in politiek vaarwater komt. Ook hier geldt: de vaardigheden die noodzakelijk zijn voor een politieke omgeving zijn echt anders dan die waarmee je goede patiëntenzorg levert.

Uiteindelijk vormen zelfkennis en zelfmanagement de basis om ook in de veranderde situatie overeind te blijven: ken je jezelf, in je goede en minder goede eigenschappen (en weet je bijvoorbeeld wanneer je hulp moet inschakelen) , én kun je jezelf goed regisseren en hanteren in verschillende omgevingen en situaties (wanneer zet je welke vaardigheden in). In alle gevallen geldt: wanneer je buiten de comfortzone van je kernkwaliteiten treedt, betreedt je nieuwland. Dat dit geen reden is om terug te keren, weet iedere avonturier.

Wel zijn bij een avontuur een goede reisuitrusting, inclusief navigatie, erg nuttig. Een coach helpt je navigeren wanneer je op onbekend terrein komt. Zoals een gids: je moet (en mag!) het nog steeds zelf doen, maar de gids helpt je de route bepalen.

Paul Wormer