Trend of toeval?!

2019-08-26T10:32:24+01:0017 april 2014 |

Vaak is het begin van het nieuwe jaar voor mij een rustige periode. Veel trajecten zijn in december afgerond en nieuwe trajecten laten nog even op zich wachten. Niet dit jaar. Al in de eerste week van 2014 melden zich een handvol nieuwe klanten. Navraag bij een aantal collega-coaches gaf een vergelijkbaar beeld.

Wat vertelt deze toeloop mij? Ik merk dat voor medici de drempel om naar een coach te gaan aanzienlijk is verlaagd. Waar nog niet zo lang geleden de meesten het vooral zagen als medicijn voor de probleemgevallen en dus niet voor zichzelf, wordt het tegenwoordig steeds meer gezien als effectief middel om zich te ontwikkelen en een gezonde balans te vinden tussen professie en persoon, tussen werkdruk en werkplezier. Om dagelijks zin in je artsenwerk te hebben en dat vooral ook te houden.

De meeste artsen waar ik in januari kennismakingsgesprekken mee voerde, waren niet in crisis. Wel hadden ze behoefte om in hun artsenleven stappen te zetten. Zoals de vijftiger die wilde onderzoeken hoe hij de laatste tien jaar van zijn loopbaan wilde invullen. De oudste assistent die in de eigen kliniek volop zelfstandig mocht werken, maar begeleiding miste met betrekking tot de eigen (identiteits-)vorming als arts. Of de arts die meer stevigheid wilde ontwikkelen in onderhandelingssituaties. Het zijn de soort vragen en (coach)behoeftes die ik vorig jaar voor het eerst op grotere schaal tegenkwam tijdens een loopbaantraject voor medisch specialisten in een groot ziekenhuis. Mogelijk is dit een trend, in ieder geval een omslag in denken.
Waarom nu?

Naast de vele veranderingen binnen de gezondheidszorg, is de laatste jaren de organisatie-context waarbinnen artsen werken aanzienlijk veranderd. Voorheen kenmerkte het werk van een arts zich door veel druk, veel autonomie en veel regelmogelijkheden. ‘High control & high demand’ in vaktermen. De afgelopen jaren is dat verschoven naar ‘high demand & low control’. Tegenwoordig zijn vooral de organisaties, verzekeraars en overheid in control. Waar ‘demand & control’ elkaar min of meer in evenwicht hielden, ervaren artsen tegenwoordig steeds minder autonomie terwijl de werkbelasting zeker niet minder is geworden. Daarnaast is sprake van een tweede verschuiving: die van high support naar low support. Door de toenemende nadruk op (kosten)efficiency voelen artsen zich meer en meer een productie-medewerker, dan een medische expert en spil in het zorgproces. Het geeft het gevoel dat de organisatie waar je werkt van alles van je eist, met een hoge productie op één, maar je daarbij steeds minder faciliteert en ondersteunt. Als arts en mens. Zo bekeken is het geen toeval dat artsen juist nu behoefte hebben aan coaching.