De vierde module van de cursus Ethiek van leven en zorgen over het denken van Nietzsche en zijn navolgers inspireerde deelnemer Jan van Dijk, chirurg in ziekenhuis Gelderse Vallei, tot het schrijven van onderstaande parafrase op “De dolle mens”.

Nietzsches complexe tekst over de dood van God kan onder meer gelezen worden als een oproep om je eigen waarden serieus te nemen en daarnaar te leven (en te werken).

De dolle mens. Tekstfragment 125 uit “De vrolijke wetenschap” (Die fröhliche Wissenschaft, 1882, vert. Pé Hawinkels, 1976, herz. Hans Driessen, 1999)

 

De dolle dokter. – Hebben jullie niet gehoord van die dolle dokter die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt opliep en onophoudelijk schreeuwde: ‘Ik zoek onze zorg! Ik zoek onze zorg!’- Omdat er daar juist veel van die lieden – van die gedehumaniseerde machinemensen – bijeen stonden die onze zorg nooit nodig hebben, verwekte dit groot gelach. ‘Is ze soms verloren gegaan?’, zei de een. ‘Is ze verdwaald als een kind?’ zei de ander. Of heeft ze zich verstopt? Is ze bang voor ons? Is ze naar het buitenland vertrokken, naar Duitsland of naar Amerika misschien? – zo schreeuwden en lachten zij door elkaar. De dolle dokter sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar de zorg heen is?’ riep hij uit. ‘Dat zal ik jullie vertellen! Wij hebben haar gedood, – jullie en ik! Wij allen zijn haar moordenaars! Maar hoe hebben we dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om haar uit te wissen? Wat hebben wij gedaan, toen wij ‘ons medische handelen’ loskoppelden van de medemenselijkheid? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij onszelf? Dolen wij niet als door een oneindig niets? Voelen we de koude adem van haar leeg achtergebleven ruimte in het gezicht? Is het niet kouder geworden? Is het niet voortdurend nacht en steeds meer nacht in aantocht? Moeten er ’s morgens geen lantaarns aangestoken worden? Horen wij nog niets van het rumoer van de doodgravers, die onze zorg begraven? Ruiken wij nog iets van ontbinding van onze zorg – ook onze zorg kan in ontbinding raken! Onze zorg is dood! Onze zorg blijft dood! En wij hebben haar gedood! Hoe moeten we ons troosten, wij moordenaars aller moordenaars? De beste gezondheidszorg die de wereld tot nu toe heeft gekend, is onder onze messen leeggebloed, – wie wist dat bloed van ons af? Met welk water kunnen wij ons reinigen? Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Nooit was er een grotere daad, – en wie er ook na ons geboren wordt, hij behoort door deze daad tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!’ – Hier zweeg de dolle dokter en keek opnieuw zijn toehoorders aan: ook zij zwegen en keken bevreemd terug. Ten slotte gooide hij zijn lantaarn op de grond, zodat die in stukken sprong en uitdoofde. ‘Ik kom te vroeg,’ zei hij toen, ‘het is mijn tijd nog niet. Deze ongelooflijke gebeurtenis is nog onderweg, ze wandelt nog rond, – het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternten heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig om gezien en gehoord te worden, ook nadat ze al verricht zijn! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste melkwegstelsels, – en toch hebben ze haar verricht!’- Men vertelt verder dat de dolle dokter diezelfde dag nog verschillende ziekenhuizen is binnengedrongen en daar zijn ‘requiem aeternam voor de zorg’ aangeheven heeft. Naar buiten gebracht en ter verantwoording geroepen, zou hij telkens alleen maar herhaald hebben: ‘Wat zijn die ziekenhuizen eigenlijk nog, als de medemenselijke zorg eruit verdwenen is, en ze niet eens meer kunnen dienen als graven en grafmonumenten van onze zorg?’-